Make your own free website on Tripod.com

De pensioenregeling

 

K.b. nr. 50 24.10.1967 (staatsblad 27.10.1967), k.b. 21.12.1967 houdende het algemeen reglement (staatsblad 16.1.1968), wet 8.8.1980 art. 152-153 (staatsblad 8.8.1980), herstelwet 10.2.1981 art. 33-34 (staatsblad 14.2.1981), wet 20.7.1990 (staatsblad 15.8.1990) uitgevoerd bij k.b. 4.12.1990 (staatsblad 20.12.1990), wet 26.7.1996 art.15-17 (staatsblad 1.8.1996), k.b. 23.12.1996 (staatsblad 17.1.1997) gewijzigd bij k.b. 21.3.1997 (staatsblad 29.3.1997) en bij k.b. 23.4.1997 (staatsblad 16.5.1997), k.b. 21.3.1997 (staatsblad 29.3.1997) tot uitvoering van art. 4 §2 2 de lid en art. 7 §1 10 de en 11 de lid en art.8 §7 4 de lid k.b. 23.12.1996 en k.b. 21.3.1997 (staatsblad 29.3.1997) tot uitvoering van art. 4 §2 5 de lid k.b. 23.12.1996

 

De pensioenregeling: structuur en organisatie

 

Men vraagt zijn pensioen aan op zijn gemeente, waar een formulier wordt ingevuld en doorgestuurd naar de RVP.

De regering besliste einde 2002, in de zgn. 1-januarimaatregelen , dat werknemers (en zelfstandigen) die leven van vervangingsinkomens (ten gevolge van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en invaliditeit) geen pensioen meer moeten aanvragen, het wordt voor hen automatisch geregeld.

 

De RVP = Rijksdienst voor pensioenen maakt de pensioendossiers op en betaalt de pensioenen.

De dienst ontstond in 1987 uit een fusie van de Rijksdienst voor werknemerspensioenen (RWP) welke tot dan toe de dossiers opmaakte, met de Rijkskas voor rust- en overlevingspensioenen (RROP) welke de pensioenen uitbetaalde.

De RVP staat onder toezicht van de Minister van pensioenen.

In het beheerscomité zetelen naast de voorzitter en 2 regeringscommissarissen een gelijk aantal vertegenwoordigers van de werknemers en van de werkgevers.

Website RVP: www.rvp.fgov.be

 

Pensioenen, de vergrijzing van de bevolking en het Zilverfonds

 

Recente cijfers van de RVP geven aan dat er in 2002 € 2 miljard meer moest worden uitgegeven aan de pensioenen dan in 1998. En het aantal gepensioneerden is op die tijd nog niet eens sterk toegenomen, de komende jaren zal de toename pas echt exploderen.

Lees hierover Pensioenrekening loopt al op in De Standaard van 29.7.2003 p. 1.

Om de toekomstige stijging van de uitgaven voor de pensioenen (en de gezondheidszorg) op te vangen richtte de regering Verhofstadt I het Zilverfonds op, een reserve voor later. Begin 2003 stak er in dit fonds al € 1,5 miljard.

Overigens gaat het hier niet om een specifiek Belgisch maar om een algemeen Europees probleem, waarvoor o.a. de Europese commissie al jarenlang waarschuwt.

Lees Pensioenspook waart steeds zichtbaarder door Europa , De Standaard van 24-25.5.2003 p. 12.

 

***

 

Eveneens ten gevolge van de 1-januarimaatregelen (zie boven) krijgen werknemers (en zelfstandigen) die al geruime tijd in pensioen zijn een hoger pensioen: 1% meer voor wie vóór 1993, 2% meer voor wie in 1993, 1994 of 1995 met pensioen ging.

 

 

 

 

 

De pensioenregeling: het rustpensioen

 

Zie www.rvp.fgov.be > informatie over de pensioenen

 

Wie werkt en sociale zekerheidsbijdragen betaalt heeft recht op een rustpensioen .

Je kan het ook zo stellen: wie werkt (met een regulier contract) staat 13,07% van zijn loon af aan de RSZ, zijn werkgever betaalt voor hem bovenop zijn loon nog eens (ongeveer) 35% aan diezelfde RSZ. Een deel daarvan, nl. 7,5/13,07 en 8,86/35, wordt gebruikt om de pensioenen te betalen. De tekorten (door de veroudering van de bevolking) worden bijgepast door de staat. M.a.w. je werkt a.h.w. zelf voor (een deel van) je pensioen.

(Actuele bedragen RSZ: zie 2.3.)

Dit verhaal is niet helemaal juist: het Belgisch sociale zekerheidsstelsel berust immers op solidariteit, transfers en repartitie, niet op kapitalisatie (zie 2.2).

 

65 jaar is de algemene pensioenleeftijd .

Het pensioen gaat in de eerste dag van de maand na de aanvraag en ten vroegste de eerste dag van de maand na de 65 ste verjaardag.

Voor vrouwelijke werknemers gold vroeger een pensioenleeftijd van 60 jaar. De nieuwe pensioenregeling, van toepassing sinds 1.7.1997, stelt ook voor hen een pensioenleeftijd vast van 65 jaar maar deze wordt geleidelijk ingevoerd.

De pensioenleeftijd voor vrouwen was/is vanaf 1.7.1997 61, vanaf 2000 62, vanaf 2003 63, vanaf 2006 64 en tenslotte vanaf 2009 65.

 

Vanaf 60 jaar is een vervroegde pensioenleeftijd mogelijk, zowel voor vrouwen als mannen, als men een loopbaan van minimum 35 jaar kan bewijzen.

Maar ook deze loopbaanvoorwaarde wordt geleidelijk ingevoerd, voor vrouwelijke én mannelijke werknemers.

Vervroegde pensionering was/is maar mogelijk vanaf 1.7.1997 na een loopbaan van minstens 20 jaar, vanaf 1998 22 jaar, vanaf 1999 24 jaar, vanaf 2000 26 jaar, vanaf 2001 28 jaar, vanaf 2002 30 jaar, vanaf 2003 32 jaar, vanaf 2004 34 jaar en tenslotte vanaf 2005 35 jaar.

 

Het pensioen wordt berekend op basis van de loopbaan en het loon .

Een volledige beroepsloopbaan (= de gewerkte + de gelijkgestelde periodes) telt 45 jaar. Elk jaar telt dus voor 1/45 van een pensioen, iemand met bijv. een beroepsloopbaan van 37 jaar heeft voor 37/45 pensioenrecht.

Voor vrouwelijke werknemers telde een volledige loopbaan vroeger 40 jaar. De nieuwe regeling wordt stapsgewijze ingevoerd.

Voor een vrouw die op pensioen ging/gaat van 1.7.1997 tot 1999 rekende/rekent men in 41sten, van 2000 tot 2002 in 42sten, van 2003 tot 2005 in 43sten, van 2006 tot 2008 in 44sten en tenslotte vanaf 2009 in 45sten.

De (werkelijke en fictieve) lonen van de verschillende beroepsjaren worden elk gedeeld door 45 en dan samengeteld.

Deze lonen zijn begrensd en worden geherwaardeerd.

 

Het pensioenbedrag is afhankelijk van de familiale situatie: een alleenstaande ontvangt een pensioen gelijk aan 60% van het resultaat van de berekening hierboven, een gezinspensioen bedraagt 75%.

Extralegale pensioenen

 

De bevolking veroudert, er zijn steeds meer gepensioneerden en steeds minder beroepsactieven. De vrees groeit dat de uitbetaling van de wettelijke pensioenen binnen afzienbare tijd niet meer (volledig) gegarandeerd zal kunnen worden.

Mede daarom nam de overheid initiatieven (naast het Zilverfonds) om de wettelijke = legale pensioenen aan te vullen met extralegale pensioenen.

Zie de website van de Minister van werk en pensioenen: www.vandenbroucke.com > vraag-antwoord > aanvullende pensioenen

Zie ook http://socialsecurity.fgov.be/old > beknopt overzicht van de sociale zekerheid > algemene inhoudstafel > hoofdstuk VI: de extralegale pensioenen

 

De werknemer kan voor zichzelf een extralegaal pensioen bijeensparen = pensioensparen , volgens twee formules: de pensioenspaarverzekering en het pensioenspaarfonds

Het succes van het pensioensparen is mede (vooral?) verklaarbaar door het fiscaal voordeel.

 

En/of hij kan een individuele levensverzekering (in feite ook een vorm van sparen) afsluiten.

 

Onlangs kwam, ter vervanging van de wet Colla van 1995, de nieuwe w et op de a anvullende p ensioenen tot stand, de zogenaamde WAP .

Over de wet Colla zie www.rvp.fgov.be > informatie over de pensioenen > aanvullend pensioen: goed te weten

Helemaal nieuw is de wet niet: hij voorziet in de oprichting van sectorale pensioenfondsen en bedrijfspensioenfondsen maar de metaalsector bijv. beschikte al eerder over zo'n fonds.

We resumeren hierna kort de (wijzigingen door de) nieuwe wet.

Hij wordt grondig uitgelegd op de website van de Minister van werk en pensioenen: www.vandenbroucke.com .

Een bedrijfspensioen= collectief ondernemingspensioen komt tot stand binnen een bedrijf ten voordele van de eigen werknemers. Alle werknemers komen in aanmerking voor zo'n aanvullend bedrijfspensioen, inbegrepen de sociale en fiscale voordelen die voorzien zijn op voorwaarde dat er een of andere vorm van sociale solidariteit aan verbonden is, bijv. een vrijstelling van bijdragebetaling voor langdurig zieke collega's.

Bedrijven kunnen ook een individuele pensioentoezegging doen, aan werknemers zowel als aan zelfstandige bedrijfsleiders en aan zaakvoerders en bestuurders van vennootschappen, maar alleen als er voor alle werknemers van het betrokken bedrijf een collectief bedrijfspensioen of sectorpensioen bestaat.

Bedrijven kunnen bovendien een onderhandse pensioenbelofte doen, maar alleen voor zaakvoerders en bestuurders van vennootschappen = vennootschapsmandatarissen.

Een sectoraal pensioen wordt georganiseerd voor een bepaalde sector.

Lees Half miljoen arbeiders heeft sectoraal pensioen in De Standaard van 29.3.2000 p. 4 en Aanvullend pensioen ook fiscaal voordelig in De Standaard van 14-15.09.2002 p. 6.

 

De legale pensioenen vormen de eerste, de collectieve aanvullende pensioenen (overeenkomstig de WAP) de tweede en de individuele aanvullende pensioenspaarplannen de derde pensioenpijler.

De pensioenregeling: het overlevingspensioen

 

Zie www.rvp.fgov.be > informatie over de pensioenen

 

De langstlevende echtgenoot heeft, onder de volgende voorwaarden, recht op een overlevingspensioen. Dit recht komt voort uit de arbeidsprestaties van de overleden echtgenoot en de hiervoor betaalde sociale zekerheidsbijdragen.

De langstlevende echtgenoot kan uiteraard ook recht hebben op een eigen rustpensioen.

 

1-

Hij of zij moet minstens 45 zijn.

Wie minstens 66% blijvend arbeidsongeschikt is, of een kind ten laste heeft, of wiens overleden echtgenoot minstens 20 jaar ondergrondse mijnarbeid verrichtte is van deze voorwaarde vrijgesteld.

 

2-

Hij of zij moet minstens 1 jaar gehuwd zijn.

Is uit het huwelijk een kind geboren (ev. postuum), of is er bij het overlijden een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving, of is het overlijden het gevolg van een ongeval na het huwelijk of van een beroepsziekte begonnen of verergerd na het huwelijk dan wordt men van deze voorwaarde vrijgesteld.

 

3-

Hij of zij mag niet opnieuw huwen.

Na ontbinding van een eventueel nieuw huwelijk kan het overlevingspensioen wel weer worden aangevraagd.

 

De pensioenregeling: pensioen en echtscheiding

 

Zie www.rvp.fgov.be > informatie over de pensioenen

Lees ook Pensioen en echtscheiding in De Standaard van 3-4.4.1999 p. 27

 

De pensioenregeling: hoeveel mag bijverdiend worden?

 

Lees Toegelaten inkomsten voor 2003: eindelijk gepubliceerd! in Budget & Recht nr. 166 van januari/februari 2003 p. 8-9

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De pensioenregeling: brugpensioen

 

Zie www.rva.fgov.be

 

Sommige oudere werknemers willen stoppen met werken voor ze de wettelijke pensioenleeftijd (65) bereikt hebben. Het zgn. brugpensioen kan hen ev. die mogelijkheid bieden.

 

Een bedrijf of een sector kan hiervoor, in sociaal overleg, een specifieke regeling uitwerken .

 

Voor bedrijven en sectoren zonder specifieke regeling is een algemene regeling van toepassing: het zogenaamde conventioneel brugpensioen , overeengekomen in CAO nr. 17 van 19.12.1974. We zetten hierna de voorwaarden voor het conventioneel brugpensioen op een rijtje.

Voor de volledige tekst van CAO nr. 17 zie www.meta.fgov.be > metagids > collectieve arbeidsovereenkomsen > nationale arbeidsraad > lijst, of www.nar.be > CAO's > lijst

1-

Dit brugpensioen kan in principe pas vanaf 60 jaar , maar die leeftijd kan per bedrijf of per sector worden verlaagd tot 58 jaar.

Bedrijven in moeilijkheden of in herstructurering kunnen, afhankelijk van het aantal werknemers die ze collectief willen ontslaan, de toelating vragen om reeds vanaf 55 of 52 of hoogst uitzonderlijk reeds vanaf 50 op brugpensioen te sturen.

2 -

Alleen wie over een minimum anciënniteit beschikt kan op brugpensioen: 25 jaar in geval van brugpensioen op 58 of 59.

Ook hieromtrent zijn voor bedrijven in moeilijkheden uitzonderingen voorzien.

3-

De bruggepensioneerde werknemer moet ontslagen zijn , d.w.z. de werkgever moet het initiatief nemen om het arbeidscontract te beëindigen. Het brugpensioen is geen recht van de werknemer, de werkgever moet er mee akkoord gaan.

 

Wie aan deze voorwaarden voldoet ontvangt uit de werkloosheidskas in principe 60% van zijn laatste brutoloon, met een maximum van € 985,92/maand.

+

De vroegere werkgever betaalt een aanvullende vergoeding van minstens:

het laatste bruto maandloon, begrensd tot € 2.900,10

(min) de eigen sociale zekerheidsbijdrage

(min) de bedrijfsvoorheffing

(min) de werkloosheidsuitkering (dus maximum € 985,92)

___

: 2

bedragen sinds 01.02.2003

 

 

 

•  De sociale zekerheid van de zelfstandigen

 

•  Aansluiting bij een sociale verzekeringskas

 

Elke zelfstandige moet binnen 90 dagen na de start van zijn zaak aansluiten bij een sociale verzekeringskas naar keuze.

Laat hij dit na dan wordt hij, na aanmaning, ambtshalve aangesloten bij de Nationale hulpkas voor de sociale voorzieningen voor zelfstandigen (NHSVZ).

Info over de hulpkas op de website van de RSVZ: www.rsvz.be > nationale hulpkas

Lees Attest doet aangroei zelfstandigen instorten uit De Standaard van 15.3.1999 p. 1.

 

De zelfstandigen worden vertegenwoordigd in de (officiële) Hoge raad voor de zelfstandigen en de KMO (KMO = kleine en middelgrote ondernemingen), via hun beroepsorganisaties.

Website Hoge raad: www.hrzkmo.fgov.be

We vermelden hier de belangrijkste beroepsorganisaties:

•  Unie van zelfstandige ondernemers ( www.unizo.be )

•  Union des classes moyennes ( www.ucm.be )

•  Neutraal syndicaat der zelfstandigen ( www.nsz.be )

•  Liberaal verbond van zelfstandigen ( www.lvz.be )

•  Febezo = federatie van Belgische zelfstandige ondernemers

Febezo ontstond uit de fusie van VSZ = Vereniging van socialistische zelfstandigen +

SDZ/SDI = Syndicaat der zelfstandigen/Syndicat des indépendants.

Lvz en Febezo besloten begin 2003 nauw samen te werken, om tegen het einde van het jaar te fusioneren.

 

Schijnzelfstandigen

 

Bedrijven schrijven soms, omwille van de lagere kost, medewerkers die in feite als ondergeschikte werknemers actief zijn als zelfstandige medewerkers in.

Omdat het aantal de schijnzelfstandigen de jongste jaren angstwekkend steeg legde Minister van werkgelegenheid van de regering Verhofstadt I, Laurette Onckelinx, een voorontwerp van wet neer: dit voorziet in 12 criteria, wie beantwoordt aan 7 daarvan wordt beschouwd als werknemer. Als de inspecties (van werkgelegenheid, sociale zaken en RSZ) dit vaststellen kunnen zij verslag uitbrengen aan de Arbeidsauditeur, die kan op zijn beurt de zaak voor de Arbeidsrechtbank brengen, en deze kan dan een statuutwijziging opleggen.

We sommen hierna de 12 criteria op.

1. U hebt geen persoonlijke en substantiële deling in de winst en het verlies van het bedrijf.

2. U doet geen persoonlijke en substantiële investering van eigen kapitaal in het bedrijf.

3. U hebt geen verantwoordelijkheid en beslissingsbevoegdheid over de financiële middelen

om de rentabiliteit van het bedrijf te handhaven.

4. U hebt de garantie van een periodieke betaling van loon.

5. U werkt hoofdzakelijk en gewoonlijk voor één enkel bedrijf of een zelfde groep bedrijven.

6. U bent geen werkgever van personeel dat u persoonlijk en vrij hebt aangeworven.

7. U bent niet vrij in het organiseren van het werk en de werktijden.

8. U treedt niet naar buiten als bedrijf tegenover andere personen of een medecontractant.

9. U werkt in ruimten en/of met materieel dat niet van uzelf is of dat beschikbaar wordt

gesteld, gefinancierd of gegarandeerd door degene die het werk verschaft.

10. U bent onderworpen aan een interne controle of mogelijke sancties.

11. U hebt geen beslissingsbevoegdheid over het prijzenbeleid van het bedrijf.

12. U hebt geen aankoopbevoegdheid voor het bedrijf.

2.4.2 Kwartaalbijdragen

 

De verplichte sociale zekerheidsbijdragen van een zelfstandige worden, per kwartaal, geïnd door het Rijksinstituut voor de sociale voorzieningen voor zelfstandigen (RSVZ).

Dit gebeurt via zijn sociale verzekeringskas of ev. de NHSVZ (zie boven 2.4.1). Deze bijdragen (+ de overheidssubsidies voor de bijpassing van de tekorten) worden gebruikt voor de financiering van 3 sociale risico's = 3 sectoren (zie hieronder 2.4.3).

 

In 2003 betaalt de beginnende zelfstandige in hoofdberoep , exclusief de beheerskosten, kwartaalbijdragen van

•  € 438,40 als hij zijn 1 ste jaar actief is

•  € 509,15 als hij zijn 2 de jaar actief is

•  € 576,71 als hij zijn 3 de jaar actief is

 

De beginnende zelfstandige in bijberoep betaalt zijn eerste 3 jaar € 55,20.

Lees over het zelfstandig bijberoep Is het sop de kool waard? in Budget & Recht nr. 164 van

september/oktober 2002 p. 20-24.

 

Na de eerste 3 jaar is een procentuele bijdrage verschuldigd die berekend wordt op het beroepsinkomen van 3 jaar tevoren.

In 2003 is men verschuldigd:

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

beroepsinkomen 2000 hoofdberoep bijberoep meewerkende echtgenoot

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

tot € 1.123,74 € 438,40 0 € 17,63

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

€ 1.123,75-2.247,48 € 438,40 € 55,20 € 17,63

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

€ 2.247,49-8.924,25 € 438,40 4,9125% € 17,63

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

€ 8.924,26-43.587,20 4,9125% 0,1975%

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

€ 43.587,21-64.238,84 € 2.141,22 + 3,54% op € 86,08 + 0,1275%

inkomen boven € 43.587,19 boven € 43.587,19

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

boven € 64.238,84 € 2.872,29 (= maximum) € 112,41 (= maximum)

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Sinds 1.1.2003 geldt een nieuwe regeling inzake het statuut van de meewerkende echtgenoten van zelfstandigen.

Meewerkende echtgenoten zijn zij die gehuwd zijn met een zelfstandige, geen eigen sociale zekerheidsrechten genieten en (onbetaald) de echtgenoot helpen in zijn zaak.

•  Vanaf 1.1.2003 moeten zij zich verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid (inbegrepen moederschap) en invaliditeit en kunnen zij toetreden tot het gehele stelsel (dus ook ziektekosten, kinderbijslag en pensioen).

•  Vanaf 1.1.2006 moeten ze toetreden tot het gehele stelsel.

Zie www.rsvz.be > meewerkende echtgeno(o)t(e)

 

2.4.3 Sectoren

 

De sociale zekerheidsbijdragen van de zelfstandigen (en de toelagen van de staat) worden gebruikt ter financiering van 3 sectoren (7 in de privé).

 

a- Ziektes en ongevallen

 

Anders dan de werknemers zijn zelfstandigen binnen het wettelijk (verplicht) sociale zekerheidsstelsel alleen verzekerd voor de zogenaamde grote risico's.

Zie www.rsvz.be > sociaal statuut van de zelfstandigen > ziekteverzekering

 

Zelfstandigen kunnen zich (vrijwillig) aanvullend verzekeren voor de kleine risico's - de ziekenfondsen kunnen terzake optreden als verzekeraars.

De federale regering wil de zelfstandigen volledig integreren in de gewone ziekteverzekering. België is zowat het enige Europese land waar dit nog niet is gebeurd. Een zelfstandige zou dan om verzekerd te zijn voor de grote én kleine risico's geen aanvullende verzekeringspremie meer moeten betalen maar een (ongeveer even grote) sociale zekerheidsbijdrage. Uitkijken dus wanneer de nieuwe regeling volledig zal goedgekeurd en van kracht zijn.

De zgn. sociale 1-januarimaatregelen (zie boven) van de vorige regering van eind 2002 voorzagen wel in een verhoogd moederschapsverlof (van 3 naar 6 weken) en een verhoogde moederschapsuitkering (van € 962 naar € 1.924,06).

 

b- Pensioen

 

Het wettelijk pensioenstelsel is vergelijkbaar met dat van de privé.

Zie www.rsvz.be > sociaal statuut van de zelfstandigen > pensioenen

De sociale 1-januarimaatregelen voorzagen dat zelfstandigen met een volledige loopbaan in vervroegd pensioen kunnen vanaf 60 jaar, zonder bijkomend pensioenverlies.

 

Naast het wettelijk pensioen is er het zogeheten vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen ( VAPZ ) , een aanvullend individueel d.w.z. niet solidair pensioen. De premie bedraagt naar keuze van 1 tot 7% van het inkomen van 3 jaar geleden en is volledig fiscaal aftrekbaar als beroepskosten.

Vanaf 1.1.2004 zullen zelfstandigen er een tweede keuzemogelijkheid bij krijgen, in de vorm van sociale pensioenplannen, met meer sociale en fiscale voordelen, geïnspireerd op de regeling die nu al bestaat voor een aantal vrije beroepen: advocaten, apothekers, artsen, deurwaarders, notarissen en tandartsen.

Zie www.rsvz.be > nationale hulpkas > sociale rechten > aanvullend pensioen

Lees Aanvullend pensioenplan voor alle zelfstandigen in De Standaard van 30.10.2002 p. 19

 

c- Gezinsbijslagen

 

Zie www.rsvz.be > sociaal statuut van de zelfstandigen > gezinsbijslag

 

Sinds enige tijd kan een zelfstandige één keer in zijn loopbaan een beroep doen op een faillissementsverzekering . Hij behoudt dan, zonder bijdragen te moeten betalen, gedurende 4 kwartalen zijn rechten op geneeskundige verzorging (grote risico's) en kinderbijslagen en ontvangt maximum 6 maand lang een maandelijkse uitkering.

Zie www.rsvz.be > sociaal statuut van de zelfstandigen > faillissementsverzekering

•  Van bijdragen tot uitkeringen

 

De zelfstandige betaalt zijn verplichte sociale bijdragen (zie boven 2.4.2) + de beheerskosten aan zijn sociale verzekeringskas (ev. de NHSVZ) die de beheerskosten afhoudt en de bijdragen doorstort aan de RSVZ.

De RSVZ herverdeelt deze gelden over de 3 sectoren van de sociale zekerheid:

•  de ziekteverzekering: beheerd door het RIZIV (idem als voor werknemers)

•  de sector gezinsbijslagen: beheerd door de RSVZ zelf

•  de sector pensioenen: beheerd door de RSVZ zelf

Deze beheers- en controleorganen storten de gelden door aan de betalingsinstellingen:

•  voor de ziekteverzekering de ziekenfondsen of het HZIV (idem als voor de

werknemers: zie 2.3.1)

•  voor de gezinsbijslagen: de sociale verzekeringskas van de zelfstandige (ev. de NHSVZ)

•  voor de pensioenen: de RVP (idem als voor de werknemers: zie 2.3.7)

Tenslotte betalen deze laatste de zelfstandige die recht heeft op een ziekte-uitkering en/of kindergeld en/of een pensioen.

 

De bijdragen van de zelfstandige leggen dus een lange weg af, in 5 stappen:

 

betaling bijdragen

(0) door zelfstandige

+ de staat

(1) aan verzekeringskas of NHSVZ

 

(2) die doorbetaalt aan RSVZ

 

(3) die herverdeelt en doorstort aan de

beheers- en controleorganen

 

beheer en controle door

(4.1) RIZIV

ziekteverzekering (kleine risico's!)

(4.2) RSVZ

gezinsbijslagen

(4.3) RSVZ

pensioenen

betaling uitkeringen door

 

(5.1) ziekenfondsen of HZIV

ziekteverzekering

(5.2) verzekeringskas of NHSVZ

gezinsbijslagen

(5.3) RVP

pensioenen

 

 

 

 

 

 

 

 

•  De sociale zekerheid van het overheidspersoneel

 

Zie www.fgov.be > ambtenaren

 

2.5.1 Overheidspersoneel

 

Binnen het overheidspersoneel maakt men een onderscheid tussen

•  ambtenaren of vastbenoemde statutairen

•  niet vastbenoemde statutairen

•  contractuelen

 

Ambtenaren = vastbenoemde statutairen nemen een zeer bijzondere sociaalrechtelijke positie in, die nogal grondig verschilt van deze van de werknemers van de privé.

Uit het statuut dat de relatie met hun werkgever (?) determineert putten zij meestal meer sociale rechten dan waarop de werknemers van de privé aanspraak kunnen maken: zo genieten zij van een vaste benoeming, langere periodes van gewaarborgd loon e.a.

 

Niet vastbenoemde statutairen zijn aangesteld voor een bepaalde tijd. Zij hebben zoals de ambtenaren een statuut maar zijn dus niet vastbenoemd.

 

Contractuelen zijn verbonden door een contract. Hun sociale zekerheidsregeling lijkt wel sterk op die van de privé (7 sectoren).

 

De Minister van ambtenarenzaken van de regering Verhofstadt I, Luc Vandenbossche, voerde een grondige hervorming door van de beroepsloopbaan van het (federale) overheidspersoneel.

Zie www.fgov.be > ambtenaren

 

2.5.2 De sociale zekerheidsregeling van de statutairen

 

De sociale zekerheidsregeling van de statutairen telt 6 sectoren.

 

De sector gezondheidszorgen is vergelijkbaar met deze van de privé.

De arbeidsongeschiktheid is statutair geregeld. Een statutair heeft per jaar anciënniteit recht op 30 dagen behoud van de volledige wedde. Maakte hij een bepaald jaar geen of maar een gedeeltelijk gebruik van dit recht dan wordt het niet gebruikte (deel van het) recht van dat jaar doorgeschoven naar de volgende jaren.

 

In grote lijnen zijn de sectoren arbeidsongevallen en beroepsziekten georganiseerd zoals die van de privé, behalve wanneer het statuut het anders voorziet, wat het geval is voor bijv. de provinciale en plaatselijke = gemeentelijke overheidsdiensten (PPO) of inzake tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid (vergoeding à 100% in plaats van 90% in de privé).

 

De sector jaarlijkse vakantie is statutair geregeld.

 

De sector gezinsbijslagen is vergelijkbaar met die van de privé.

 

En ook de sector pensioenen is statutair geregeld.

Website van de administratie der pensioenen (AP): www.ap.fgov.be

 

 

 

 

 

•  De residuaire stelsels

 

De zogenaamde residuaire stelsels voorzien in een (minimale) tegemoetkoming voor wie niet kan genieten van de reguliere stelsels (van de werknemers, de zelfstandigen en overheidsperoneel).

 

•  Het leefloon

 

Wet betreffende het recht op maatschappelijke integratie van 26.05.2002 = de zgn. ‘leefloonwet' (staatsblad 31.07.2002), van kracht sinds 01.10.2002, k.b. 11.7.2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie (staatsblad 31.7.2002): www.just.fgov.be > staatsblad

Zie ook www.ocmwvisies.be en www.armoede.be > armoedelinks > links > thema inkomen > leefloon

 

Men heeft recht op een leefloon (tot 30.09.2002 bestaansminimum genoemd) onder de volgende voorwaarden .

•  Men moet van Belgische nationaliteit zijn of onderdaan van een EU-lidstaat

of staatloos of vluchteling.

•  Men moet meerderjarig zijn of ontvoogd door huwelijk of één kind of meerdere kinderen ten laste hebben of zwangerschap kunnen bewijzen.

•  Men moet zijn werkelijke verblijfplaats in België hebben.

•  Men beschikt niet over voldoende bestaansmiddelen (uit arbeid, persoonlijk vermogen of de sociale zekerheid).

 

Een vrij recente maatregel voorzag in een betere opleiding (dan vroeger) voor jonge gerechtigden op een leefloon (beneden 25 jaar) zodat ze meer kans maken om een job te vinden. Er wordt van hen ook meer persoonlijke inzet verwacht.

 

De uitkeringen worden uitbetaald door het gemeentelijk Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW):

•  gezinshoofden ontvangen per maand € 778,21

•  alleenstaanden € 583,66

•  samenwonenden € 389,11 euro

(bedragen sinds 1.2.2002)

 

2.6.2 De inkomensgarantie voor ouderen (IGO)

 

Wet 22.3.2001 (staatsblad 29.3.2001), k.b. 23.5.2001 (staatsblad 31.5.2001)

Deze nieuwe regeling vervangt het vroegere gewaarborgd inkomen voor bejaarden .

 

De uitkeringen per jaar bedragen:

•  voor alleenstaanden € 7163,10

•  voor samenwonenden € 4774,40

(bedragen sinds 1.2.2002)

Lees De inkomensgarantie voor ouderen , Profiel nr. 67 januari-februari 2002 p. 10.

 

2.6.3 Tegemoetkomingen voor gehandicapten

 

Wet 27.2.1987 (staatsblad 1.4.1987), k.b. 6.6.1987 (staatsblad 8.7.1987), ministerieel besluit 30.7.1987 (staatsblad 6.8.1987), k.b. 5.3.1990 (staatsblad 5.4.1990)

Vlaams decreet 27.6.1990 (staatsblad 8.8.1990) betreffende de oprichting van het Vlaams fonds voor sociale integratie van personen met een handicap (VFSIPH)


notariskantoor Van Damme
Residentie "Groenhove"
Gistelse Steenweg 138 bus F/1

8200 Brugge (Sint-Andries) België
Tel. +32 50 38.11.11 en +32 50 40.40.40
Fax +32 50 38.57.77 en + 32 50 40.40.20
E-mail: vandamme@notare.be URL: http://www.notare.be
Laatst bijgewerkt op 18 mei 2000