Make your own free website on Tripod.com

De sociale balans

 

Wet 22.12.1995, artikelen 44-49 (Staatsblad 30.12.1995)

K.b. 4.8.1996 (Staatsblad 30.08.1996)

Zie www.meta.fgov.be > sociale balans

Model van sociale balans in de Sociale gids, afdeling 26, p. 26/14 en volgende

 

Ondernemingen zijn verplicht elk jaar (= boekjaar) een sociale balans op te maken. Zij worden daarbij in 4 groepen verdeeld:

•  groep 1 = BVBA's, CVA's, CVBA's en NV's, en VOF's, GCV's en CVOHA's die Ďgroot' zijn volgens art. 12 § 1 en 2 van de wet van 17.6.1975 op de boekhouding en waarvan minstens 1 onbeperkt aansprakelijke vennoot een rechtspersoon is

•  groep 2 = verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, interbedrijfsgeneeskundige diensten, ziekenhuizen en pensioenfondsen

•  groep 3 = ondernemingen naar buitenlands recht met een bijkantoor of centrum in België

•  groep 4 = andere privaatrechtelijke rechtspersonen met minstens 20 werknemers, zeg maar VZW's

Moeten dus géén sociale balans neerleggen: natuurlijke personen en feitelijke verenigingen.

 

De sociale balans bestaat uit 4 delen = staten:

•  staat I van de tewerkgestelde personen

•  staat II van de personeelsbewegingen

•  staat III van het gebruik van overheidsmaatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid

•  staat IV van de opleidingen voor de werknemers

 

De sociale balans vormt een onderdeel van de jaarrekening en moet dus mee worden voorgelegd aan en goedgekeurd door de algemene vergadering + neergelegd bij de Nationale bank van België (NBB).

Ze moet ook worden overgemaakt aan de ondernemingsraad of als die ontbreekt aan de syndicale delegatie, als beiden ontbreken moet zij beschikbaar zijn voor alle werknemers op de plaats waar het arbeidsreglement wordt bewaard.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

•  SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT

 

•  Historiek van de sociale zekerheid

 

Binnen het kader van het Belgisch sociaal recht zijn de begrippen arbeid en loon onlosmakelijk verbonden: wie arbeidsprestaties levert heeft recht op loon, wie niet tot arbeid bereid of in staat is verliest dit recht (al is dit evidenter voor wie niet tot arbeid bereid is dan voor wie er niet toe in staat is).

In de periode vóór het Belgisch arbeidsrecht pasten de werkgevers deze regel als vanzelfsprekend toe in alle omstandigheden. Een werknemer die zijn werk en dus zijn (meestal enig) inkomen kwijt raakte, om welke reden ook, stortte zichzelf en zijn gezin in diepe ellende. Bij de werkgevers was er daarvoor maar weinig begrip.

De prille arbeidersbeweging zocht en vond (beperkte) middelen om haar leden tegen de meest acute sociale risico's te beschermen. Zij stichtte kassen voor onderlinge bijstand die de leden bij ziekte, arbeidsongevallen of werkloosheid een minimaal loonvervangend inkomen garandeerden.

Maart 1886 barstten in Luik gewelddadige rellen los die zich snel over het hele land verspreidden en de toenmalige regering Beernaert in grote verlegenheid brachten. De sociale maatregelen die erop volgden waren bescheiden van opzet. Niettemin vormden zij de eerste aanzet tot een volwaardige sociale zekerheid. De overheid nam voor eens en voorgoed het initiatief in handen, staatskassen namen de plaats in van (de meeste) private kassen.

 

De eerste vorm van sociale zekerheid had betrekking op de militairen en de ambtenaren : de algemene burgerlijke pensioenwet van 1844 garandeerde hen een inkomensvervangende uitkering als zij omwille van ouderdom of invaliditeit niet meer tot arbeid in staat waren.

 

Voor de werknemers (van de privé) werd pas eind vorige eeuw, na de rellen van 1886, een begin gemaakt met een wettelijke sociale bescherming. Te vermelden zijn:

•  de wet op de werknemerspensioenen (1900) die eerst een vrijwillig en nadien (1925) een verplicht systeem van rust- en overlevingspensioenen invoerde

•  de wet op de arbeidsongevallen (1903) (pas in 1971 kwam er een verplichte verzekering)

•  de wetten op de gezinsbijslagen (1928, 1930)

•  de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en de verplichte werkloosheidsregeling (na de tweede wereldoorlog)

 

Wettelijke regelingen voor zelfstandigen volgden later:

•  een gezinsbijslagregeling vanaf 1937

•  een verplichte pensioenverzekering vanaf 1956

•  ook in 1956 werden de zelfstandigen geïntegreerd in de verzekering voor geneeskundige zorgen, in 1967 werd hun bijdrageregeling georganiseerd naar het model van deze van de werknemers, in 1971 kwam er een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid

 

"Op dat ogenblik werd het tijd om ernstig te gaan denken aan een sinds lang beloofde basisbescherming voor iedereen .

•  Een oude regeling voor gebrekkigen en verminkten van 1958 werd in 1967 omgezet in een stelsel van inkomensuitkeringen voor mindervaliden.

•  Ouderen met onvoldoende pensioenen kregen in 1969 een gewaarborgd inkomen voor bejaarden.

•  Niet verzekerde personen met kinderen ten laste werden in 1971 begunstigd met een gewaarborgde gezinsbijslag.

•  Het geheel zou dan bekroond worden in 1974 met de fundamentele wet van 1974 waardoor iedere meerderjarige Belg (en sommige minderjarigen en vreemdelingen) een recht op een bestaansminimum werd toegekend. Vanaf 1.1.1975, datum van inwerkingtreding van deze wet, mocht gezegd worden dat België een (min of meer) volledig stelsel van sociale zekerheid bezat."

J. Van Langendonck, Sociale zekerheid, wat is dat eigenlijk?, 1986, p. 6.

Zie ook Het sociale overleg in België , Ministerie van tewerkstelling en arbeid (op.cit.).

 

2.2 Algemene structuur van de sociale zekerheid

 

Onder sociale zekerheid verstaat men het geheel van wettelijke maatregelen die de financiële bescherming beogen van al wie geen arbeid (meer) kan verrichten en dus geen beroepsinkomen (meer) kan verdienen.

Sociale zekerheid behelst een van overheidswege georganiseerde verplichte verzekering tegen een aantal sociale risico's: ziekte en invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekten, werkloosheid, ouderdom. Wie arbeidsongeschikt wordt omwille van ziekte of invaliditeit, een arbeidsongeval of een beroepsziekte, wie werkloos wordt en wie omwille van ouderdom met werken moet stoppen kan, mits aan een aantal voorwaarden te voldoen, aanspraak maken op een loonvervangende uitkering , een ziekte- of werkloosheidsuitkering, een pensioen enz.

Bovendien garandeert de sociale zekerheid een jaarlijkse vakantie en vakantiegeld, evenals gezinsbijslagen. Vakantiegeld is een deels loonvervangende deels loonaanvullende uitkering , gezinsbijslagen zijn loonaanvullende uitkeringen.

Niet iedereen die arbeid verricht is tegen evenveel risico's verzekerd. Zie verder.

 

België kent geen uniform stelsel van sociale zekerheid. Daar is een historische verklaring voor. Naast elkaar opereren drie afzonderlijke stelsels , voor de werknemers (van de privé), de zelfstandigen en de ambtenaren.

De loonvervangende en -aanvullende uitkeringen aan de werknemers van de privé worden gefinancierd d.m.v. de (verplichte) bijdragen van de werknemers zelf en hun werkgevers en, sinds deze bijdragen niet langer volstonden, ook door de staat.

De uitkeringen van de zelfstandigen worden gefinancierd met verplichte bijdragen van de zelfstandigen zelf en door de staat.

De uitkeringen van de ambtenaren worden gefinancierd d.m.v. verplichte bijdragen van de ambtenaren zelf en door hun werkgever = een overheidsdienst.

De beroepsactieve werknemers, zelfstandigen en ambtenaren staan een wettelijk vastgesteld deel van hun beroepsinkomen af aan de sociale zekerheid.

Ook de werkgevers van deze werknemers en ambtenaren moeten bijdragen.

De staat tenslotte subsidieert de sociale zekerheid, uit de algemene belastingsopbrengsten.

Met deze bijdragen kan de sociale zekerheid de inkomensvervangende en

-aanvullende uitkeringen betalen aan de zieken, werklozen enz. die er recht op hebben.

 

Sociale zekerheid is dus in essentie een kwestie van (verplichte !) solidariteit tussen actieven en niet actieven: gelden van actieven worden getransfereeerd naar niet actieven .

 

Het Belgische van oorsprong gedecentraliseerde systeem van sociale zekerheid telt ongeveer 2000 instellingen die direct of indirect betrokken zijn bij de werking ervan.

Bij wet van 15.1.1990 werd de kruispuntbank van de sociale zekerheid opgericht. De wet trad in werking per 1.1.1992.

Bedoeling was dubbel werk en overlappingen uit de wereld te helpen, door de geleidelijke uitbouw van een elektronisch netwerk dat alle instellingen van sociale zekerheid verbindt.

De kruispuntbank beheert een repertorium dat aangeeft welke instelling over welk dossier beschikt met welke gegevens betreffende welke persoon. Ze houdt alleen verwijzingen bij naar gegevens, niet de gegevens zelf. Zo weet zij bijv. waar mijn adres of basisloon kan gevonden worden maar zij slaat dat adres of loon niet zelf op.

Wanneer een of andere instelling van de sociale zekerheid een bepaald gegeven nodig heeft zal ze eerst contact moeten opnemen met de kruispuntbank. Deze zal aan de hand van het verwijzingsrepertorium nagaan of dat gegeven niet reeds beschikbaar is bij een andere instelling van sociale zekerheid. Zo ja zal zij het daar opvragen en doorspelen aan de aanvrager. Zo nee mag de aanvrager het gegeven rechtstreeks bij de werkgever of de sociaal verzekerde opvragen.

De kruispuntbank zorgt er ook voor dat wijzigingen van gegevens die bij één instelling worden bewaard worden doorgespeeld aan de andere instellingen. Wanneer bijv. iemand verhuist en daarvan aangifte doet op de gemeente zal de kruispuntbank deze adreswijziging die ze doorgespeeld krijgt van het rijksregister overmaken aan het ziekenfonds en de kinderbijslagkas van de betrokkenen.

Door een centrale opslag van sociale gegevens te vermijden en door de specifieke werking van de kruispuntbank wordt de kans op misbruiken geminimaliseerd.

Wanneer de kruispuntbank ten behoeve van een of andere instelling van sociale zekerheid informatie opvraagt bij een andere instelling zal zij meteen nagaan of de aanvrager die informatie wel nodig heeft voor de uitvoering van zijn opdracht. De beslissing daaromtrent wordt genomen door een comité van toezicht van onafhankelijke experts, benoemd door het parlem²ent, onder voorzitterschap van een hoge magistraat.

Bovendien is elke gebruiker van de bank gebonden door het beroepsgeheim. Schendingen worden strafrechtelijk gesanctioneerd.

Elke belanghebbende kan, wanneer hij meent dat de wettelijke waarborgen zijn overtreden, klacht indienen bij het comité van toezicht. Hij kan ook op elk moment toegang krijgen tot de gegevens die hemzelf betreffen en foutieve en ten onrechte bewaarde gegevens laten verbeteren of uitwissen.

Tenslotte moet elke instelling van sociale zekerheid, telkens wanneer zij een belangrijke beslissing neemt omtrent een of ander sociaal recht, uit eigen beweging de gegevens mededelen waarop ze zich baseerde bij het beoordelen van dat recht.

Kruispuntbank van de sociale zekerheid, St.-Pietersweg 375, 1040 Brussel, tel. 02/735 46 54. Op dit adres kan de informatiebrochure worden aangevraagd waaruit voor bovenstaande tekst werd geput.

www.ksz.fgov.be

 

Een product van de kruispuntbank is de sociale identiteitskaart (SIS-kaart) .

2.3 De sociale zekerheid van de privé

 

Het stelsel van de sociale zekerheid van (de werknemers van) de privé telt

7 sectoren : ziektes en ongevallen, arbeidsongevallen, beroepsziektes, werkloosheid, pensioenen, jaarlijkse vakantie en gezinsbijslagen.

 

De financiële middelen , nodig om de loonvervangende en -aanvullende uitkeringen in het kader van deze 7 sectoren te betalen, worden geleverd door de werknemers, hun werkgevers en de staat.

De werknemers staan een procentueel vastgesteld deel (13,07%) af van hun loon en dragen zo bij tot de financiering van 3 van de 7 sectoren (ziektes en ongevallen, werkloosheid en pensioenen).

De werkgevers financieren alle 7 sectoren, d.m.v. procentuele bijdragen (ongeveer 35%) berekend op de brutolonen van hun werknemers.

Deze bijdragen van werknemers en werkgevers hadden moeten volstaan om de kosten van de sociale zekerheid te dragen maar ten gevolge van de sociale ontwikkeling van de afgelopen decennia (toename van het aantal werklozen, veroudering van de bevolking) werd de overheid er min of meer toe gedwongen de (alsmaar groeiende) tekorten bij te passen, d.m.v. subsidies afkomstig uit de algemene belastingsopbrengsten. Deze staatstussenkomst was bedoeld als tijdelijk maar het ziet er niet naar uit dat het stelsel van de sociale zekerheid nog ooit zonder kan. De laatste jaren lijkt de groei van de tekorten wel tot stilstand gebracht.

Nettoloon : het werkelijk ontvangen loon

 

+ de werknemersbijdrage aan de sociale zekerheid (13,07%)

 

+ de bedrijfsvoorheffing = het belastingsvoorschot

 

= brutoloon : het loonbedrag, tussen werkgever en werknemer overeengekomen

in het schriftelijk of mondeling arbeidscontract

 

+ de patronale (= werkgevers-) bijdrage aan de sociale zekerheid (+/- 35%)

 

= (totale) loonkost

Lees ook België toch aan top van sociale uitgaven in De Standaard van 11-12.12.1999 p. 4.

 

Vermindering sociale bijdragen voor lagere inkomens

 

Sinds 1.1.2003 is de werknemerbijdrage voor de sociale zekerheid van de inkomens beneden € 1509,17 verlaagd, wat deze (ruim 600.000) werknemers een hoger nettoloon oplevert (€ 20 à 30 per maand).

 

 

 

 

 

Actuele sociale zekerheidsbijdragen bedienden (tarief sinds 01.01.2003)

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------

bijdragen < werkgever > < werknemer >

-------------------------------------------------------------------------------------------------

(- 10 wns) (10-20 wns) (+ 20 wns)

-------------------------------------------------------------------------------------------------

ziekte en invaliditeit

- gezondheidszorgen 3,80% 3,80% 3,80% 3,55%

- uitkeringen 2,35% 2.35% 2,35% 1,15%

 

(fonds voor) arbeidsongevallen 0,30% 0,30% 0,30%

 

beroepsziekten 1,10% 1,10% 1,10%

 

werkloosheid 1,46% 1,46% 1,46% 0,87%

afhouding dubbel vakantiegeld 1,69% 1,69%

(opbrengst voor werkloosheid)

 

pensioenen 8,86% 8,86% 8,86% 7,50%

 

kinderbijslag 7% 7% 7%

kinderopvang 0,05% 0,05% 0,05%

 

educatief verlof 0,04% 0,04% 0,04%

-------------------------------------------------------------------------------------------------

subtotaal 24,96% 26,65% 26,65% 13,07%

-------------------------------------------------------------------------------------------------

bijdrage risicogroepen

(bevordering werkgelegenheid) 0,10% 0,10% 0,10%

 

fonds sluiting ondernemingen 0,21% 0,21% 0,24%

 

fonds voor bestaanszekerheid 0,30% 0,30% 0,30%

 

loonmatiging KB nr.401 7,48% 7,48% 7,48%

 

begeleiding werklozen 0,05% 0,05% 0,05%

 

bijkomende bijdrage FSO 0,18% 0,18% 0,18%

 

bijz. bijdrage oudere werklozen 0,10% 0,10% 0,10%

-------------------------------------------------------------------------------------------------

algemeen totaal 33,38% 35,07% 35,10% 13,07%

-------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

 

 

Actuele sociale zekerheidsbijdragen arbeiders (tarief sinds 01.01.2003)

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------

bijdragen < werkgever > < werknemer >

-------------------------------------------------------------------------------------------------

(- 10 wns) (10-20 wns) (+ 20 wns)

-------------------------------------------------------------------------------------------------

ziekte en invaliditeit

- gezondheidszorgen 3,80% 3,80% 3,80% 3,55%

- uitkeringen 2,35% 2,35% 2,35% 1,15%

 

(fonds voor) arbeidsongevallen 0,30% 0,30% 0,30%

 

beroepsziekten 1,10% 1,10% 1,10%

 

werkloosheid 1,46% 1,46% 1,46% 0,87%

afhouding dubbel vakantiegeld 1,69% 1,69%

(opbrengst voor werkloosheid)

 

vakantie 6% 6% 6%

(exclusief 10,27% geïnd in de maand april op het brutoloon van het vorig jaar à 108%)

 

pensioenen 8,86% 8,86% 8,86% 7,50%

 

kinderbijslag 7% 7% 7%

kinderopvang 0,05% 0,05% 0,05%

 

educatief verlof 0,04% 0,04% 0,04%

-------------------------------------------------------------------------------------------------

subtotaal 30,96% 32,65% 32,65% 13,07%

-------------------------------------------------------------------------------------------------

bijdrage risicogroepen

(bevordering werkgelegenheid) 0,10% 0,10% 0,10%

 

fonds sluiting ondernemingen 0,21% 0,21% 0,24%

 

loonmatiging KB nr.401 7,48% 7,48% 7,48%

 

begeleiding werklozen 0,05% 0,05% 0,05%

 

bijkomende bijdrage FSO 0,18% 0,18% 0,18%

 

bijz. bijdrage oudere werklozen 0,10% 0,10% 0,10%

-------------------------------------------------------------------------------------------------

algemeen totaal 39,08% 40,77% 40,80% 13,07%

-------------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

 

Actuele sociale zekerheidsbijdragen dienstboden (tarief sinds 01.01.2003)

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------

bijdragen < werkgever > < werknemer >

-------------------------------------------------------------------------------------------------

ziekte en invaliditeit

- gezondheidszorgen 3,80% 3,55%

- uitkeringen 2,35% 1,15%

 

(fonds voor) arbeidsongevallen 0,30%

 

beroepsziekten 1,10%

 

werkloosheid 1,46% 0,87%

 

vakantie 6%

(exclusief 10,27%)

 

pensioenen 8,86% 7,50%

 

kinderopvang 0,05%

 

educatief verlof 0,04%

 

begeleiding werklozen 0,05%

 

bijkomende bijdrage FSO 0,18%

 

bijz. bijdrage oudere werklozen 0,10%

-------------------------------------------------------------------------------------------------

algemeen totaal 24,29% 13,07%

-------------------------------------------------------------------------------------------------


notariskantoor Van Damme
Residentie "Groenhove"
Gistelse Steenweg 138 bus F/1

8200 Brugge (Sint-Andries) BelgiŽ
Tel. +32 50 38.11.11 en +32 50 40.40.40
Fax +32 50 38.57.77 en + 32 50 40.40.20
E-mail: vandamme@notare.be URL: http://www.notare.be
Laatst bijgewerkt op 18 mei 2000