Make your own free website on Tripod.com

•  Het leercontract

 

Onderwijs en leren en dus ook het zogenaamde leercontract behoren tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. We bespreken hier alleen de regeling van de Vlaamse gemeenschap, goedgekeurd bij decreet van het Vlaams parlement van 23.1.1991 en uitgevoerd bij besluit van de Vlaamse regering van 24.7.1996.

Sinds 1983 is er voltijdse leerplicht tot 16 jaar, of tot 15 jaar als de eerste 2 jaar van het secundair onderwijs dan reeds zijn gevolgd. Er is deeltijdse leerplicht tot 18 jaar.

Aan de deeltijdse leerplicht kan men voldoen door middel van

•  een leercontract dat opleidt tot een zelfstandig beroep (zie hierna)

•  een industrieel leercontract dat opleidt tot een loontrekkend beroep (zie 1.1.10)

•  een deeltijds arbeidscontract in combinatie met deeltijds onderwijs (= DBSO, deeltijds beroepssecundair onderwijs; DBSO'ers volgen 15 lesuren per week in combinatie met een bij voorkeur aan de opleiding aangepaste job, ofwel 1 dag per week met 4 dagen praktijk; sinds kort bestaan er ook modulaire opleidingen = opleidingen in blokken die elk een deelcertificaat kunnen opleveren; meer info: www.ovsg.be/dbso.htm )

 

Een leercontract is een verplicht schriftelijk contract van bepaalde duur (in principe 3 jaar maar vanaf 17 jaar is een verkorte opleiding mogelijk) tussen een zelfstandig ondernemingshoofd (bakker, beenhouwer, restauranthouder…) en een leerling, afgesloten met tussenkomst van een erkend leersecretaris.

 

Het ondernemingshoofd verbindt er zich toe de leerling een zelfstandig ambachtelijk of handelsberoep of een beroep uit de kleine en middelgrote nijverheid aan te leren en betaalt de leerling een maandelijkse leervergoeding (bedragen vanaf 1.1.2003):

leerling jonger dan 18 leerling van 18 jaar of ouder

1 ste jaar € 249,75 € 333,01

2 de jaar € 333,01 € 374,64

3 de jaar € 416,26 € 416,26

 

De leerling moet voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht. Er is geen maximum leeftijd.

Hij verbindt er zich toe het beroep aan te leren onder leiding en toezicht van het ondernemingshoofd en een aanvullende algemene en beroepstechnische vorming te volgen in een centrum voor vorming van zelfstandigen en KMO.

VIZO, het Vlaams instituut voor zelfstandig ondernemen, coördineert deze vormingscentra.

Zie www.vizo.be

 

De leersecretaris sluit mee het leercontract af, oefent administratief toezicht uit, staat in voor de sociale, morele en pedagogische begeleiding van de leerling en bemiddelt wanneer zich conflicten voordoen tussen de leerling en het ondernemingshoofd.

Er is 1 leersecretaris of er zijn meerdere leersecretarissen per administratief arrondissement, afhankelijk van de omvang ervan.

 

1.1.10 Het industrieel leercontract

 

Wet van 19.7.1986, gewijzigd bij de wetten van 24.7.1987, 20.7.1992 en 6.5.1998

Om aan de deeltijdse leerplicht te voldoen kan men dus een industrieel leercontract afsluiten.

Omtrent de andere mogelijkheden zie hierboven 1.1.9.

 

Een industrieel leercontract is een verplicht schriftelijk contract van bepaalde duur tussen een patroon = ondernemingsleider en een leerling.

Het kan worden afgesloten voor bedienden, arbeiders en handelsvertegenwoordigers van zowat alle sectoren (niet voor dienstboden en huisarbeiders).

 

De patroon verbindt er zich toe de leerling een loontrekkend beroep aan te leren. Hij betaalt de leerling een maandelijkse leervergoeding die niet hoger mag zijn dan een vastgesteld maximum.

Dit maximum is een percentage van het nationaal gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen zoals bepaald voor werknemers van 21 jaar en wordt vastgesteld door de koning na advies van de Nationale arbeidsraad (NAR).

 

De leerling moet bij het afsluiten van het contract voldaan hebben aan de voltijdse leerplicht en jonger zijn dan 18 jaar (maar er zijn uitzonderingen mogelijk).

Hij verbindt er zich toe onder leiding en toezicht van de patroon het beroep in de praktijk aan te leren. Naast deze praktische opleiding in de onderneming van de patroon volgt de leerling (in de Vlaamse gemeenschap) een theoretische opleiding in een Centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (CDBSO).

Voor meer informatie zoek onder CDBSO bij www.google.com

 

De organisatie van het leerlingwezen gebeurt binnen de paritaire leercomités, opgericht in de schoot van de paritaire (sub)comités.

Zij tellen evenveel vertegenwoordigers van de werkgevers als van de werknemers.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

•  Het arbeidscontract voor studenten

 

Wet van 3.7.1978

Vrij veel regels m.b.t. het studentencontract zijn dezelfde als deze m.b.t. het arbeiderscontract (o.a. de regel m.b.t. de proeftijd).

Hierna vermelden we alleen de specifieke regels inzake het studentencontract.

Voor meer informatie raadpleeg de brochure De studentenarbeid , uitgave van het Federaal ministerie van tewerkstelling en arbeid, Belliardstraat 51, 1040 Brussel, gratis verkrijgbaar bij de dienst publicaties, tel. 02/233 41 11.

Zie ook www.meta.fgov.be

 

Studentencontracten: begrippen

 

Student moet in de ruime zin van het woord worden verstaan: bedoeld worden uiteraard de regelmatige scholieren en studenten maar ook zij die zich voorbereiden op een examen voor de centrale examencommissie, vrije studenten en thesisstudenten.

Ook wie afstudeerde kan tijdens de daaropvolgende grote vakantie nog als student beschouwd worden zolang hij de mogelijkheid om verder te studeren open houdt. Best vermeldt de werkgever deze mogelijkheid in het arbeidscontract.

 

Een studentencontract is niet mogelijk voor

•  jongeren die nog niet aan de voltijdse leerplicht voldoen

•  studenten die na de periode van voltijdse leerplicht deeltijds verder studeren en verbonden zijn door een deeltijds arbeids- of stagecontract of een leercontract of een industrieel leercontract

•  studenten die een overbruggingsuitkering ontvangen

•  studenten die al 6 maand bij dezelfde werkgever tewerkgesteld zijn, vanaf de

7 de maand

•  studenten die stage lopen in het kader van hun studies

•  studenten van het avondonderwijs

•  studenten van het onderwijs met beperkt leerplan met minder dan 15 lesuren per week

 

Bepaalde (gevaarlijke) arbeid is voor studenten verboden.

Koninklijk besluit van 3.5.1999 betreffende de bescherming van jongeren op het werk.

 

Studentencontracten: verplichtingen van de partijen

 

Studentencontracten zijn van bepaalde duur en moeten dus voor iedere student afzonderlijk, schriftelijk en vóór hij begint te werken worden afgesloten.

Zij bevatten volgende verplichte vermeldingen: de identiteit, geboortedatum, woonplaats en ev. verblijfplaats van de partijen, de begindatum en einddatum van de uitvoering van het contract, de plaats van de uitvoering van het contract, de arbeidsduur per dag en per week, het overeengekomen loon of wanneer dit niet op voorhand kan berekend worden de wijze van berekening, de vermelding dat de wet van 12.4.1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers van toepassing is.

 

De werkgever is verder verplicht het studentencontract bij te houden op de werkplaats, de student een exemplaar van het arbeidsreglement van zijn bedrijf te overhandigen tegen ontvangstbewijs, binnen de 7 kalenderdagen een exemplaar van het contract en van het ontvangstbewijs van het arbeidsreglement te bezorgen aan de sociale inspectie, de student in te schrijven in het personeelsregister (of in het aanwezigheidsregister van de tuinbouwsector), het arbeidscontract tot 5 jaar na de beëindiging ervan te bewaren.

 

Minimumlonen studenten

 

In sommige sectoren zijn (binnen de paritaire comités) afspraken gemaakt m.b.t. de minimumlonen voor studenten.

Andere sectoren kennen een gemiddeld gewaarborgd minimum maandinkomen (GGMMI): daar past men voor studenten de volgende percentages toe op dit GGMMI:

leeftijd

percentage

20 jaar

94%

19 jaar

88%

18 jaar

82%

17 jaar

76%

16 jaar en minder

70%

In de sectoren die ook geen GGMMI kennen past men dezelfde percentages toe op het algemeen gewaarborgd minimuminkomen (zie verder: 1.3.7).

 

Studentencontracten: beëindiging

 

Zoals elk ander arbeidscontract van bepaalde duur eindigt ook het studentencontract, zonder opzeg, op de contractueel voorziene datum , zelfs als het op dat ogenblik geschorst is.

 

Een vroegtijdige beëindiging is mogelijk d.m.v. een schriftelijke opzegging .

•  Gebeurt dit tijdens de proeftijd dan gelden dezelfde regels als voor een arbeider.

•  Na de proeftijd is de duur van de opzegtermijn afhankelijk van de duur van het contract en van het initiatief voor de opzeg:

duur van het contract opzeg door werkgever opzeg door student

tot 1 maand 3 kalenderdagen 1 kalenderdag

meer dan 1 maand 7 kalenderdagen 3 kalenderdagen

 

De werkgever kan het studentencontract beëindigen zo de student langer dan 7 kalenderdagen arbeidsongeschikt is. Hij is hem dan een vergoeding verschuldigd gelijk aan de normale opzegvergoeding.

 

 

 

 

 

 

Studentencontracten en sociale zekerheidsbijdragen

 

De algemene regels betreffende de sociale zekerheidsbijdragen gelden ook voor studentencontracten, m.a.w. ook voor studentenarbeid zijn de normale sociale bijdragen verschuldigd.

 

Er bestaat maar 1 algemene uitzondering : er zijn geen reguliere sociale zekerheidsbijdragen (ongeveer 35% ten laste van de werkgever, 13.07% ten laste van de werknemer) verschuldigd voor

•  studenten die per schooljaar maximum 1 maand arbeid presteren

Een schooljaar begint op 1 oktober van een kalenderjaar en eindigt op 30 september van

het volgende kalenderjaar.

De student mag dus maximum 1 maand werken bij één of meer werkgevers. Werkt hij langer dan moet op de volledige tewerkstellingsperiode sociale zekerheid worden betaald.

Een maand = een kalendermaand of een periode van gelijke duur (bijv. van 16/8 tot 15/9).

1 kalendermaand = 23 arbeidsdagen.

•  tijdens de grote vakantie = juli, augustus, september

De grote vakantie = zomervakantie omvat de maanden juli, augustus, september.

•  mits zij in hetzelfde schooljaar nog niet bij dezelfde werkgever tewerkgesteld waren, tenzij tijdens periodes van niet verplichte aanwezigheid in de onderwijsinstelling (bijv. tijdens weekends of schoolvakanties)

 

Op studentencontracten die vrijgesteld zijn van de reguliere sociale bijdragen dienen, sinds enkele jaren, wel beperkte solidariteitsbijdragen betaald te worden: - 5 % ten laste van de werkgever

- 2,5% ten laste van de student (af te houden van zijn brutoloon).

 

Verder is kan men in de volgende specifieke gevallen vrijgesteld van sociale bijdragen

•  voor studenten die stage lopen in het kader van hun studies (dit is geen echte uitzondering: deze studenten zijn niet gebonden door een arbeidscontract en ontvangen ook geen loon)

•  voor studenten die occasionele arbeid verrichten, d.i. arbeid verricht voor de huishouding van de werkgever(s) of zijn (hun) familie gedurende maximum 8 uur per week bij 1 of meer werkgever(s)

•  voor studenten tewerkgesteld als seizoenarbeiders in de land- en tuinbouw

•  onder bepaalde voorwaarden voor studenten met beperkte activiteiten in de sociaal-culturele sector

 

Studentencontracten en de ziekteverzekering

 

Studenten zijn, voor wat de ziekteverzekering betreft, tot ze 25 worden ten laste van hun ouders, m.a.w. zij hebben recht op geneeskundige verstrekkingen in het kader van de ziekteverzekering van deze ouders.

 

 

 

Studentencontracten en gezinsbijslagen

 

Zie ook 2.3.5 Gezinsbijslagen

 

1

Een student die werkt in het kader van een (schriftelijk) studentencontract heeft recht op gezinsbijslagen = kindergeld, ongeacht zijn inkomen.

Herinner je (zie hierboven): een studentencontract kan niet langer duren dan 6 maand bij dezelfde werkgever.

2

Een student die werkt in het kader van een ander arbeidscontract heeft alleen recht op kindergeld als hij per kalendermaand minder presteert dan 80 uur.

Uitzondering: tijdens de kerstvakantie, de paasvakantie en de zomervakantie, met een maximum van 120 kalenderdagen, mag hij een onbeperkt aantal uren werken.

Werkt hij een bepaalde maand (buiten de vakanties) 80 uur of meer dan is het kindergeld verloren voor die ene maand.

Maar let op: voor wie te lang werkt tijdens de maand vóór de vakantieperiode gaat ook het kindergeld voor deze vakantieperiode verloren.

 

***

 

Een schoolverlater behoudt zijn recht op kindergeld tijdens de wachtperiode.

Deze wachtperiode duurt 9 maand, te beginnen vanaf 1 augustus - zie 2.3.6.

In deze wachtperiode kan tot € 416,47 per maand worden bijverdiend, maar daardoor wordt de wachttijd voor de werkloosheidsuitkering verlengd (niet als de student al onderworpen was aan de sociale zekerheid).

Een schoolverlater die onmiddellijk werk vindt behoudt zijn recht op kindergeld tijdens de volledige vakantieperiode = juli, augustus en ook de maand september voor wie een diploma hoger onderwijs behaalde.

 

Studentencontracten en de fiscus

 

De werkgever moet van het loon van de door hem tewerkgestelde student bedrijfsvoorheffing (BV) afhouden.

Ook als hij bij voorbaat weet dat deze aan de student later zal worden terugbetaald.

Alleen van het loon van studenten waarvoor geen reguliere sociale bijdragen worden betaald (dus wel solidariteitsbijdragen) moet geen bedrijfsvoorheffing afgehouden worden.

 

De student dient in eigen naam, onafhankelijk van zijn ouders, zijn inkomen aan te geven .

Dit inkomen is terug te vinden op de fiscale fiche 281.10, afgeleverd door de werkgever.

Als de student tegen 1 juni van het aanslagjaar geen belastingsaangifteformulier ontvangt moet hij er zelf een aanvragen.

Inkomensjaar 2003 = aanslagjaar 2004: tegen uiterlijk 30 juni 2004 (maar de jongste jaren wordt die datum telkens uitgesteld) moet het inkomen van 2003 aangegeven zijn, begin 2005 ontvangt de student het aanslagbiljet = het officiële bericht hoeveel belasting verschuldigd is.

 

Er zijn belastingen verschuldigd wanneer het inkomen bepaalde grenzen overschrijdt.

Inkomens beneden € 6.938,89 bruto, € 5570 netto (netto = bruto min de forfaitaire belastingsaftrek) zijn vrij van belastingen.

De bedrijfsvoorheffing op deze inkomens wordt terugbetaald op voorwaarde dat de student de inkomens aangaf.

 

Onder bepaalde voorwaarden wordt de student beschouwd als persoon ten laste van zijn ouder(s). Deze genieten dan van een aanzienlijk belastingsvoordeel.

Wanneer een student op 1.1.2004 deel uitmaakt van het gezin van zijn ouder(s) is hij ten laste van deze ouder(s) mits zijn bestaansmiddelen van 2003 niet meer bedragen dan

•  € 3062,50 bruto, € 2450 netto (netto = bruto min 20% onkosten met een minimum van € 330) als de ouders niet alleenstaand zijn

•  € 4425 bruto, € 3540 netto, als de ouders alleenstaand zijn (ook na echtscheiding)

•  € 5612,50 bruto, € 4490 netto, als de ouders alleenstaand zijn + de student zelf gehandicapt is

Kan de student aantonen dat hij zelf de huur van zijn kot enz. betaalt dan mag hij meer onkosten inbrengen en mogen dus de bruto bestaansmiddelen hoger liggen.

Let wel: tot de bestaansmiddelen van de student behoren niet alleen zijn beroepsinkomen maar (o.a.) ook de ev. door hem ontvangen onderhoudsuitkering. (Onderhoudsgeld laattijdig uitbetaald ten gevolge van een rechterlijke uitspraak met terugwerkende kracht, kindergeld, een studiebeurs, een uitkering als gehandicapte, overheidssteun voor een pleegkind… worden echter niet meegeteld.)

Zo konden kinderen van gescheiden ouders om ten laste te zijn tot voor kort haast niets bij verdienen. Vanaf het inkomensjaar 2001 is daar verandering in gekomen. Onderhoudsgelden die studenten ontvangen van hun gescheiden ouder(s) zijn vanaf 2001 fiscaal vrijgesteld tot € 2120, voor het inkomstenjaar 2003 tot € …. Het onderhoudsgeld boven deze bedragen wordt voor 80% bij de netto belastbare bestaansmiddelen uit arbeid gevoegd.

 

Studenten die deel uitmaken van het gezin van hun ouders en die bezoldigingen ontvangen die door de ouders als beroepskosten worden aangegeven (bijv. studenten die tegen betaling werken in het bedrijf van hun ouders ) worden niet beschouwd als ten laste van de ouders.

Werkt een student in dienst van een vennootschap, al is deze eigendom van zijn ouder(s), dan geldt de gewone regeling - een vennootschap heeft uiteraard geen gezin, voor de student in kwestie is zij een derde.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1.1.12 Het arbeidscontract voor kunstenaars

 

Volgens de oude nog steeds geldige regeling, overeenkomstig het koninklijk besluit van 1969, wordt een kunstenaar beschouwd als een werknemer, zelfs als hij bijvoorbeeld continu kleinere opdrachten voor steeds wisselende opdrachtgevers uitvoert.

Begrijpelijkerwijze zijn de kunstenaars zelf en hun opdrachtgevers hier allesbehalve gelukkig mee. Deze regeling wordt dan ook overvloedig ontdoken: de meeste kunstenaars werken, min of meer illegaal, als zelfstandigen of, compleet illegaal, in het zwart.

Na herhaalde pogingen om de geldende regeling aan te passen kwam de federale regering begin juli 2002 uiteindelijk tot een voorontwerp van wet, houdende een nieuwe regeling waar, zo bleek uit de pers, de meeste betrokken partijen (de Vlaamse en Waalse politieke partijen, de beroepsorganisaties van de kunstenaars en hun opdrachtgevers) kunnen genoegen mee nemen. Uiteindelijk werd het voorontwerp goedgekeurd en opgenomen in de programmawet van 24.12.2002 (Belgisch staatsblad van 31.12.2002).

De nieuwe regeling, die geldt voor scheppende kunstenaars (auteurs, componisten, schilders…) en uitvoerende kunstenaars (podiumkunstenaars…), trad in werking op 01.07.2003.

 

De wet gaat uit van het wettelijk vermoeden dat een artiest een werknemer is , tenzij hij dit vermoeden weerlegt d.w.z. bewijst dat hij als zelfstandige opereert. Werken onder de vorm van een vennootschap zou gelden als voldoende bewijs. Een gemengde commissie van de RSZ en de RSVZ zal hierover oordelen.

 

Occasionele opdrachtgevers, bijv. jeugdorganisaties, kunnen een beroep doen op specifieke uitzendbureaus , erkend door de gewesten. Net als de gewone uitzendbureaus treden zij op als de werkgevers van de kunstenaars.

 

Wie een kunstenaar tewerkstelt als werknemer kan genieten van een vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen : een loon van maximum 35 euro/dag of 4,5 euro/uur is vrijgesteld van de werkgeversbijdrage.

Een eenmalige vergoeding voor bijv. scheppende kunstenaars wordt omgerekend tot vergoeding per arbeidsdag.

 

Wat betreft het sociale zekerheidsstatuut van de kunstenaars: voor de kinderbijslag moeten kunstenaars-werknemers aansluiten bij de RKW, inzake de arbeidsongevallenverzekering en het vakantiegeld gelden gelijksoortige regelingen.

 

Lees ook Kunstenaar mag statuut kiezen in De Standaard van 21.03.2002 p. 11.

 

1.1.13 Vrijwilligerswerk

 

Lees Vrijwilliger, uw papieren in Budget & Recht nr. 158 september/oktober 2001 p. 25-27.

Sinds 1.1.2003 worden vrijwilligers in de dringende hulpverlening niet meer belast op de ontvangen vergoeding tot maximum € 5000.

 

1.1.14 Bijverdiensten

 

Lees hierover Kleine bijverdiensten in Budget & Recht nr. 158 september/oktober 2001 p. 40-43.


notariskantoor Van Damme
Residentie "Groenhove"
Gistelse Steenweg 138 bus F/1

8200 Brugge (Sint-Andries) België
Tel. +32 50 38.11.11 en +32 50 40.40.40
Fax +32 50 38.57.77 en + 32 50 40.40.20
E-mail: vandamme@notare.be URL: http://www.notare.be
Laatst bijgewerkt op 18 mei 2000